NATIONALE HELPDESK VOOR VRAGEN EN MELDINGEN OVER FRAUDE.

Onze helpdesk zit klaar op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur. Op woensdag vanaf 12.00 uur.
09 okt 2013

Steenhuis: plaats waarschuwingen op rekeningen

Voormalig procureur-generaal mr. Dato Steenhuis, voorzitter van de raad van toezicht van SafeCin, pleit voor een waarschuwing op facturen en bij internetbankieren. Hij sprak tijdens het 10-jarig jubileum van de stichting SafeCin, de moederorganisatie van de Fraudehelpdesk.

“Beste dames en heren,

Er was een een Amsterdamse hoofdcommissaris die placht te beweren dat als het aantal aangiftes daalde, zijn korps het goed had gedaan. Ik heb daar altijd grote vraagtekens bij gezet, want zegt u nu zelf: als uit onderzoek blijkt dat van alle, jaarlijkse 7 miljoen slachtoffers van een misdrijf slechts iets meer dan 25% aangifte doet en degene die dat achterwege laten daar als belangrijkste reden voor opgeven dat het toch niet helpt, omdat de politie er niets mee doet dan is het toch een gotspe te beweren: hoe minder aangiftes, hoe beter. Andere gegevens, over de ontwikkeling van de criminaliteit, het registratiebeleid van de politie en het ophelderingspercentage zijn dus nodig om zo’n stelling in het juiste perspectief te plaatsen. Referentiegegevens.

Gisteren las ik in de krant dat 40% van de mensen met de diagnose Alzheimer alleen woonde. Verderop bleek dat alleen voor de grotere steden te gelden. De suggestie was dat het veel was. Maar veel in welk opzicht? Als van alle bejaarden 60% op zichzelf woont… Is 40% alleenwonende Alzheimerpatiënten dan veel of weinig? Ook hier zijn referentiegegevens nodig om tot een verantwoord oordeel te komen.

Ook de Stichting SafeCin, die vandaag zijn tweede lustrum viert en sinds twee jaren de Fraudehelpdesk beheert, heeft met dit probleem te kampen. Maar terecht kan immers de vraag gesteld worden wanneer zo’n stichting en zo’n helpdesk nu eigenlijk effectief zijn en hun bestaan rechtvaardigen. Is dat als het meldingen regent of, naar analogie van de opvatting van de genoemde hoofdcommissaris juist het geval als er maar weinig meldingen binnenkomen?

Ook hier is het antwoord niet te geven zonder over meer gegevens te beschikken. Want stel nu eens dat het aantal slachtoffers van fraude de pan uit rijst – wat we helaas niet weten, omdat het niet wordt onderzocht – en (bijna) niemand weet de Fraudehelpdesk te vinden, wat betekent dat dan? Dat de helpdesk onvoldoende bekend is, dat de mensen andere manieren hebben om hun probleem aan de orde te stellen, of dat het probleem niet ernstig genoeg is om de helpdesk daarvan in kennis te stellen, of dat ze denken dat het naar analogie van de aangiftes geen zin heeft? We weten het niet en zonder verder onderzoek zullen we het ook nooit weten.

Ook de omgekeerde situatie dat het meldingen regent is voor verschillende interpretaties vatbaar. Het kan betekenen dat fraude een ernstig probleem is en dat dit wordt weerspiegeld door het grote aantal meldingen. Het kan ook betekenen dat de helpdesk een fantastische pr heeft en het kan zelfs betekenen dat de desk voortreffelijk functioneert. De slachtoffers vinden er een luisterend oor, krijgen aandacht – wie is daar niet gevoelig voor- of dat via mond-op-mondreclame en Twitter het ene slachtoffer aan het andere vertelt, hoe goed hij geholpen is.

Om vast te stellen welke interpretatie de juiste is, moeten we weer beschikken over de eerder genoemde referentiegegevens. De omvang en ontwikkeling van de fraudecriminaliteit, het meldgedrag van (potentiële) slachtoffers, de activiteiten van de helpdesk etc. Als die niet voorhanden zijn, kunnen we gemakkelijk het slachtoffer worden van wat in de onderzoekmethodologie ‘de post hoc ergo proper fallacy’ wordt genoemd, die door mijn vader altijd zo treffend werd verwoord met de opmerking dat als je naar de dokter gaat met een kwaaltje het een week duurt en anders 7 dagen.

Tegen deze achtergrond, dames en heren, wil ik in ieder geval pleiten voor de herinvoering van de zogenoemde fraudemonitor, zodat we ook voor de fraude beschikken over gegevens van slachtofferschap, zoals die jaarlijks worden gepubliceerd in Criminaliteit en Rechtshandhaving een coproductie van WODC, CBS en de Raad voor de Rechtspraak. Een zeer interessante publicatie maar helaas zonder slachtoffergegevens over fraude. De misdrijven bedrog en valsheid duiken pas op in het hoofdstuk dat gaat over de door de politie geregistreerde criminaliteit en blijken daar sinds 2005 met 13% te zijn toegenomen, terwijl verderop duidelijk wordt dat het aantal van die zaken dat bij het Openbaar Ministerie is ingeschreven met 22% is gedaald. Het aantal afdoeningen door de rechter zelfs 32% lager is dan in 2005. In totaal, voor beide misdrijven gaat het dan in 2011, om 3369 zaken.

We kunnen natuurlijk ook afspreken dat de effectiviteit/het nut van de Fraudehelpdesk op een heel andere manier wordt bepaald. Door een engere scope te kiezen en ons te richten op vragen als: hoe snel worden meldingen afgehandeld, hoe vaak en hoe snel ook, komen ze terecht op het bord van de instantie die er echt iets mee kan/moet doen en hoe goed bewaakt de helpdesk dat proces in de richting van de melders. We zitten dan op het gebied van de procesevaluatie en het klantevredenheidsonderzoek dat inmiddels ook door de Fraudehelpdesk wordt verricht.

Uit de omvang en de aard van de meldingen, het gedrag van de slachtoffers, de modus operandi van de fraudeurs, de activiteiten van de opvolgorganisaties en het gedrag van de zogenaamde facilitators , valt heel wat te analyseren.
Weer een andere manier om naar het nut van de helpdesk te kijken is om na te gaan wat het doet met alle informatie waarover het geleidelijk aan komt te beschikken.

Slaagt het erin die kennis ingang te doen vinden bij enerzijds de potentiële slachtoffers en zo hun kans op slachtofferschap te verkleinen? Is het in staat om met relevante voorstellen te komen in de richting van die facilitators die het aantal slachtoffers kunnen beperken? Wat zou de helpdesk in dat kader kunnen doen?

Ik geef 2 voorbeelden. Potentiële slachtoffers van fraude worden, figuurlijk gesproken tegenwoordig doodgegooid met informatie over de activiteiten van allerlei fraudeurs en hoe ze daarop zouden moeten reageren. Die informatie is doorgaans nogal algemeen van aard en loopt daardoor de kans irrelevant te zijn op het moment suprême van de fraude namelijk de betaling aan de fraudeur.

Invloed op dat moment zou kunnen worden gerealiseerd door op alle rekeningen die door MKB-ondernemers worden verstuurd in dikke rode letters te zetten: DEZE REKENING EERST CONTROLEREN ALVORENS TE BETALEN. Zo’n maatregel heeft als interessant gevolg dat rekeningen van fraudeurs ogenblikkelijk herkenbaar zijn. Dit zou er op langere termijn zelfs toe kunnen leiden dat de fraudeurs het er ook op zetten. Interessant!!

Mijn tweede voorbeeld gaat over de zogenoemde facilitators, de instanties waarvan fraudeurs gebruik maken om hun valse praktijken uit te oefenen: de post, het internet, de banken, incassobureaus en dergelijke. Ook hier weer naar het beslissende moment waarop de fraude tot stand komt: de betaling. Als ik een mailtje verstuur zonder onderwerp krijg ik van mijn provider een melding dat ik dat aan het doen ben. Zou dat niet ook mogelijk zijn bij voorgenomen betalingen aan rekeningnummers waarvan in alle redelijkheid kan worden gezegd dat ze verdacht zijn?

Een helpdesk die zich niet verdiept in dit soort mogelijkheden om de problemen waarmee het wordt geconfronteerd het hoofd te bieden, zou toch geen knip voor de neus waard zijn?

Die mogelijkheden liggen voor een deel ook op het terrein van de wetgeving. Het recent ingediende wetsontwerp van VVD en SP – de indieners komen straks nog uitvoerig aan het woord – is daarvan een mooi voorbeeld. Maar er is op dit terrein nog wel meer mogelijk:
1. Het invoeren van een algemene bepaling ongeveer als volgt luidende:
,,Hij die handelingen verricht welke tot doel hebben anderen te bewegen tot betalingen, zonder dat daar een reële tegenprestatie tegenover staat wordt gestraft met……..”

2. Een uitbreiding van de oplichtingsmiddelen van artikel 326 van Wetboek van Strafrecht.

3. Meer mogelijkheden tot naming en blaming van daders. De shaming heb ik allang opgegeven. Daartoe zou de overheid zijn terughoudendheid om slechte mensen ook als zodanig te mogen aanmerken, moeten laten varen en tot een herinterpretatie van de privacywetgeving moeten komen.

4. In het verlengde daarvan: het mogelijk maken dat facilitators onder bepaalde condities hun diensten aan verdachte fraudeurs weigeren en in sommige gevallen het strafbaar stellen van de levering van die diensten.

Samenvattend denk ik dat de Fraudehelpdesk dus 4 mogelijke taken heeft: registreren, analyseren, signaleren en stimuleren. Op de uitvoering van die taken zal het dus kunnen worden beoordeeld. Het is misschien wel veel, maar het moet toch en het gebeurt ook onder de bezielende leiding van onze directeur.

Ik zei: Het moet toch. Waarom eigenlijk? Omdat fraude een misdrijf is dat, zeker op termijn, de samenleving ontwricht. Niet alleen en misschien niet eens in de eerste plaats door de financiële en economische schade die het aanricht en die, nar schatting, in de miljarden loopt. Maar veel meer nog omdat ze het wederzijds vertrouwen, privé en in het handelsverkeer, het vertrouwen waarop iedere beschaafde samenleving is gebaseerd, tot in de wortels aantast.

Onlangs las ik het boek “Der Turm” van de de Duitse schrijver Uwe Telkamp.
Hij beschrijft de laatste jaren van de DDR aan de hand van de wederwaardigheden van een aantal gegoede families en laat op indringende wijze zien hoe het genoemde gebrek aan vertrouwen, hier veroorzaakt door de alom tegenwoordige Stasi, het gewone leven tot op het bot uitholt en iedereen, zelfs binnen het eigen gezin, tot een mogelijk gevaar maakt. Hoe werk-en vriendenrelaties worden verziekt en de achterdocht hoogtij viert. Kortom, hoe normaal samenleven praktisch onmogelijk wordt gemaakt.

Ik ben me ervan bewust, dames en heren, dat fraude iets anders is dan de Stasi, maar wat de gevolgen voor de aantasting van het vertrouwen betreft, zou het verschil wel eens kleiner kunnen zijn dan we denken.”